Leer mij de ouwe Moer kennen

Boeren en polderland

 
laatst gewijzigd: 18 juni 2007aantal hits: 1305gemaakt door:historiemoerwijk  
 

Onderzoek van Christine

Na de teraardebestelling kwam men samen aan het begrafenismaal. Waarbij iedereen rijkelijk kon eten en drinken. In vroeger tijden liepen zulke bijeenkomsten soms uit op slemppartijen waarbij menigeen boven zijn theewater raakte.

 

Ook bij andere mijlpalen in de menselijke levensgang was hulp en medeleven van de buurtgenoten een vanzelfsprekendheid. Bij een geboorte waren er de buurvrouwen om te helpen en om de jonggeborene te bezichtigen, zodra deze zijn intrede in de wereld had gedaan, ook al was het midden in de nacht. Een bruiloft werd vaak een dubbel feestelijk gebeuren, doordat de hele buurt erbij betrokken was. Speciale brulfteneugers trokken vanhuistot huis om iedereen voor het feest uit te nodigen.

 

Maar niet alleen bij zulke bijzondere momenten in het bestaan openbaarde zich de gemeenschapszin. Dat gebeurde ook in het leven van alledag. Bij werkzaamheden op de boerderij, bij het feest waarmee de oogsttijd werd besloten.

 

De kaantjes uit het gesmolten vet werden zorgvuldig bewaard. Zij zouden in de komende winter, gloeiend heet gemaakt en vermengd met appelmoes, dienen als dampende bedekking van het roggebrood.

De hammen, na enige tijd uit de pekel gevist en gerookt, kwamen aan de zoldering te hangen, naast de gedroogde worst. Zij werden slechts aangesneden op zon- en feestdagen. Door de week diende het pekelspek soms gekookt, meestal uitgebakken, ertoe enige kracht te geven aan het weinig vitaminerijke maal. De groente bij de enorme porties aardappelen kwam 's winters eveneens uit de pekel. Vooral snij- en sperziebonen en andijvie werden in zo groot mogelijke hoeveelheden vastgepropt en onde het gezet in Keulse potten. Voo afwisseling op de groenteschaal zorgden behalve kool, koolrapen en bruine bonen, gedroogde zoete appels en peertjes. Smout was het smeersel voor het ongebuilde roggebrood, soms versierd met een laagje suiker, bij uitzondering met een stukje kaas.

 

Tot diep in de eerste helft van de twintigste eeuw konden alleen de sterken hun lichaam in stand houden op die karige en eenzijdige brandstof. Alleen de zeer sterken konden daarbij ook nog jaar in jaar uit de kracht opbrengen die het werk -zo er dat al was- van hen vergde. Spitten, graven mest kruien, ploegen de bezigheden op de boerderij en in het veld deden een dubbele aanslag op het gestel. En wie niet meer aan bod kwam voor arbeid in het boerenbedrijf, kreeg het doorgaans nog moeilijker. Die moest werk zoeken in weinige takken van nijverheid die het land tussen de rivieren bood. Wie terecht kon op de steenfabrieken, vond zijn arbeidsterrein nog redelijk dicht bij huis. Maar wie zich gedwongen zag om als laatste kans op enige inkomsten een tijd een baan als sjouwer bij een suikerfabriek aan te nemen, moest vaak 's morgens en 's avonds vele uren te voet afleggen.

Zo bleven betaling van de pacht en aflossing van de hypotheek voor velen een altijd dreigend zwaard van Damocles. Zo wreekte zich binnen enkele jaren de luxe van wat beter meubilair en een rijtuigvering, aangeschaft in een periode van voorspoed. Zo snel kon de situatie op de makrt omslaan, dat de betrekkelijk geringe verhoging van personele belasting op zulke goederen een struikelblok werd voor het bestaan. Soms werd het halfje, dat de pontbaas rekende voor het overzetten van voerman en gerij, als een zware last gevoeld.

Gedwongen door zulke omstandgiheden probeerde men zo lang mogelijk het ene gat te stoppen met het andere. Een ruime kans om geen uitzichtloze weg in te slaan lang lange tijd in de verbouwing van suikerbieten. In het najaar, ruim voor het zaaiseizoen, trokken de agenten van de suikerfabrieken langs de landbouwbedrijven om overeenkomsten af te sluiten voor omvang en prijs van de volgende teelt. Zij konden de akkerbouwers alvast voorschotten van zestig tot honderd gulden uitkeren voor elke hectare die met suikerbieten zou worden beteeld. Veel boeren grepen die regeling aan om de beschikking te krijgen over geld waarmee ze achterstallige pacht konden voldoen en met hun gezin de winter konden doorkomen. Het gemak waarmee de voorschotten uit de welgevulde beurzen van de fabrieken werden aangeboden, bracht heel wat landbouwers in de verleiding een veel groter deel van hun land op te geven voor de bietenteelt dan zij van plan waren hiervoor te bestemmen. Het eindje zou de last wel dragen.



.., wanneer een springvloed opnieuw alles overspoelde. Dan weer gingen er jaren heen waarin de ene rijke oogst na de andere kon worden binnengehaald. Maar ook dan stond vast dat de zee weer zou toeslaan. De verwachtingen die men koesterde van het leven, hadden altijd bezorgdheid op de achtergrond. Opschriften op gedenkpenningen, die na somige watersnoodrampen werden geslagen, schetsen in weinig woorden de sfeer waarin men eeuwen achterheen heeft geleefd. "Nu in hoop, dan in vrees", kan men er op lezen. Wanhoopsbeden als "Heer, behoud ons, wij vergaan" en "Verlosser van vele wateren", maar ook lijdzame uitspraken als "Onzeker waar ons het noodlot brengen zal" en "Laat de milde hoop ons bijblijven". Soms leek een sprankje hoop al overmoed. Dan vaagde een vloed van ongekende kracht tot diep in het land lijf en goed weg. Zoals de Allerheiligenvloed op 1 november 1570, waarbij meer dan honderdduizend mensen om het leven kwamen. Vooral de gebieden die het dichts grensden aan de zee, werden grotendeels verwoest. Zeeland werd verschrikkelijk geteisterd, maar ook Vlaanderen en Friesland en Groningen. In Antwerpen kwamen veel mensen om, doordat de stad voor een groot deel werd overstroomd. Een oud verslag zegt over de omvang van deze ramp in het noorden: Groningerland moest door dezen vloed ook ontzaggelijk lijden; het water joeg meer dan zes voet hoog over de dijken heen, waardoor die bij Kremershoin het eerst inbrak.

Opgeslagen
 

Opgemaakte tekst